Het Spaanse Hooggerechtshof heeft definitief bevestigd dat het Pazo de Meirás, het voormalige zomerverblijf van dictator Francisco Franco in Galicië, eigendom is van de Spaanse staat. Daarmee verwerpt het hof alle beroepen tegen een eerdere uitspraak van de provinciale rechtbank van A Coruña.
De uitspraak betekent dat de kleinkinderen van Franco, de familie Martínez-Bordiú, het landgoed definitief moeten teruggeven aan de staat. Het besluit van het Hooggerechtshof werd unaniem genomen.
De provinciale rechtbank van A Coruña had eerder al geoordeeld dat het Pazo de Meirás staatseigendom is. Daarbij werd ook bepaald dat de erfgenamen van Franco recht hebben op een vergoeding voor noodzakelijke en nuttige uitgaven die zij tijdens hun beheer van het landgoed hebben gedaan.
In de procedure bij het Hooggerechtshof stond niet langer ter discussie dat de juridische titels waarmee Franco eigenaar was geworden van het landgoed – onder meer een schenking en een koopovereenkomst – ongeldig waren. De discussie ging vooral over de vraag of het eigendom later via verjaring door de staat of door de erfgenamen van Franco kon zijn verkregen.
Volgens het hof was het landgoed vanaf 1938 bestemd voor gebruik door het staatshoofd en had het een functie vergelijkbaar met die van het Palacio del Pardo, een officiële residentie van de Spaanse staat. Daardoor konden de bewoners het lange tijd niet als privébezit beschouwen.
Het Hooggerechtshof concludeert dat de wettelijke termijn die nodig is om eigendom via verjaring te verkrijgen niet is verstreken voor de erfgenamen van Franco. Tegelijk bevestigt het hof dat zij recht hebben op een vergoeding voor noodzakelijke en nuttige investeringen, omdat zij het landgoed volgens de rechtbank te goeder trouw hebben beheerd.
Met deze uitspraak bevestigt het Hooggerechtshof volledig het eerdere vonnis van de provinciale rechtbank van A Coruña.
Bron: Consejo General del Poder Judicial (12 maart 2026).
